In
de Middeleeuwen werd Kats Suburchdike genoemd; het zou nauwe
banden met Souburg hebben gehad en moet een welvarend dorp
zijn geweest. Tijdens een stormvloed op 5 november 1530 verdween
echter heel Noord-Beveland in de golven. In Kats kwamen 150
mensen om. In 1532 vaagde de Elisabethvloed alle bebouwing
van Noord-Beveland weg.
Pas in 1598 werd een deel van Noord-Beveland weer ingepolderd, en werden de
dorpen Colijnsplaat en Catz volgens een plan met haakse kavels opgebouwd. De
naam komt waarschijnlijk van de gelijknamige familie; in een oorkonde uit 1209
al genoemd als Caths. Catz groeide slechts langzaam, onder andere als gevolg
van een pest-epidemie van 1603 tot 1605 en een tweede in 1650. In 1629 stond
er al wel een molen. In 1659 woonden er voldoende mensen voor een eigen hervormde
gemeente. De eerste predikant was Johannes Jones. Zoals meer inwoners van Noord-Beveland,
was hij geboren in Engeland. In 1687 werd in Kats een kerk gebouwd, die nog
steeds te bezichtigen is.